Nutralife

Main Area

Het verschil tussen eetlust en honger

Posted on juni 3rd, 2017

Wat beïvloedt onze eetlust, en wat is het verschil met honger?

Dat onze stofwisseling er een heel leven lang in zal slagen om de opname van voedingstoffen af te stemmen op de energiebehoefte heeft natuurlijk met gezonde leefgewoonten te maken. Dat ondervindt iedereen die rustig leeft en gezond eet. Op dat moment is de energiebalans in evenwicht en blijft men op zijn gewicht. Er zit een precies afgesteld raderwerk achter dat door onze hersenen op geniale wijze wordt bestuurd. Onze hersenen zijn daartoe in staat door cognitieve met zintuiglijke indrukken te combineren. Te veel energierijk en geraffineerd voedsel, te weinig beweging leidt tot overgewicht. Zij bij wie de opname van voedingstoffen de behoefte overschrijdt, waardoor het dynamische evenwicht van de stofwisseling is verschoven naar een positieve energiebalans, kunnen hun eetlust niet langer bedwingen. Het ligt eraan hoe je eet. Door foute eetgewoonten vangen onze hersenen de boodschappen die honger en verzadiging op elkaar afstemmen niet meer tijdig op, wat het overgewicht veroorzaakt.

Waarom neemt iemand meer energie op dan nodig?

Zoals de opname van voedsel door honger wordt gestimuleerd zodra de suikerspiegel daalt, zo wordt eetlust geprikkeld door psychische en door sociaal-culturele factoren (etenstijd, gewoonten, gezellig tafelen met vrienden, verveling, stress,…). Wat we daaruit opmaken is dat ons eetgedrag – wat we eten en hoeveel we eten – samenhangt met persoonlijkheid en belevenissen. Ook opvoeding speelt een rol – al vanaf de kindertijd leren we gewoonlijk dat te doen wat juist is, en het is daardoor dat we positieve stimuli van negatieve stimuli kunnen onderscheiden. Eten doe je van jongs af goed; zo verlang je niet naar fout voedsel, voor de rest van je leven niet.

Het neuro-endocrien systeem

Als het lichaam een geheel van organen is waar vegetatieve verrichtingen plaatsvinden, zijn de hersenen het besturingssysteem die het geheel van verrichtingen tot leven brengen. Het resultaat is verbluffend. Zoals zal blijken, weten de hersenen ons tot gedragingen aan te zetten, die zelfs uit herinneringen voortvloeien.

Het brein is een huis met vele kamers. Elke kamer is een compartiment waartussen communicatie plaatsvindt. Er zijn allerlei centra; ook is er een hongercentrum en een verzadigingscentrum. Maar het hoogst besturende orgaan is wel de hypothalamus. Men kan de hypothalamus beschouwen als een verzamelpunt waar gegevens over voedsel en eetgedrag minutieus worden verwerkt. Hier ligt ook het genotcentrum waar voldoening als een beloning wordt ervaren, en het septum waar een emotie aan een herinnering wordt gekoppeld. Rond de hypothalamus zitten structuren die de hypothalamus verbindt met andere delen van de hersenen: de amygdala bijvoorbeeld waar emoties worden waargenomen, en de cortex die het geheugen omvat. 

Je zou kunnen zeggen dat ons eetgedrag het resultaat is van een ingenieus communicatiesysteem dat er tussen de hersenen en de organen bestaat. Ze staan met elkaar in verbinding door middel van zenuwen en hormonen. De signalen afkomstig van de zenuwen verplaatsen zich sneller dan van hormonen, die nauwkeuriger werken.

Gaat de communicatie tussen de hypothalamus en haar omgeving langs het zenuwkanaal, dan wordt de boodschap in de vorm van een prikkel verpakt. Van de perifere zenuwen is de nervus vagus (N.X, de tiende zenuw van de 12 zenuwen) de belangrijkste zenuw voor de spijsvertering. De nervus vagus, heen en weer zwervend tussen de hypothalamus en de organen om de boodschappen over te brengen, bereikt de maag, de dunne darm, de pancreas, de galblaas – organen in de buikholte waar ook hormonen werkzaam zijn. Natuurlijk communiceren hormonen even makkelijk als zenuwprikkels.  Hormonen, de chemische boodschappers, door endocriene klieren afgescheiden, die altijd in paren verschijnen ‐ een eigenschap van hormonen, zo werd vastgesteld.

De respons die de stimulus aan het orgaan ontlokt, gebeurt via een terugkoppeling, wat de informatie-uitwisseling tussen hypothalamus en endocriene klieren mogelijk maakt.

De terugkoppeling gebeurt volgens het feedback mechanisme, waar de hypothalamus in tussenkomt. De organen zitten op haar instructies te wachten, en de hypothalamus legt haar wil op. Het is waar, het hele neuro-endocriene regelmechanisme staat onder haar commando, en wil ze haar informatie met de organen delen, dan worden er trope hormonen voor ingezet. Ergens vlakbij de hypothalamus ligt er een klier, die ze de hypofyse noemen. Alle endocriene klieren scheiden hormonen af, en de hypothalamus verlaat zich op de hypofyse waar het de trope hormonen betreft. Hier worden die opgewekt, en erop uitgestuurd om de hormonenspiegel in het bloed te peilen. Het is een voortdurend naar boven en beneden gaan van boodschappen, die over en weer gaan tussen de organen in de buikholte en de hypothalamus. Van zenuwprikkels en hormonen die gelijktijdig informatie uitwisselen, kun je verwachten dat ze van een neuro-endocrien systeem spreken. 

Op een prikkel van de hypothalamus gaat de hypofyse trope hormonen afscheiden, die op hun beurt weer andere endocriene klieren stimuleren hormonen in het bloed te brengen: zo, langs het bloed, bereiken die de organen (de zogenoemde doelorganen), en zo kan de hypothalamus op elk moment bijsturen: de hormoonproductie verhogen, en zodra de stimulus wegvalt stopt de endocriene hormoonproductie. Je zal het zelf ervaren: zolang de hormonen een gelijktijdige en tegengestelde werking hebben, zal de vertering optimaal verlopen. Zoals men kan verwachten van hormonen die altijd in antagonistisch werkende paren verschijnen wordt er een evenwicht tussen honger en verzadiging bereikt, mede door toedoen van een nauwe samenwerking met de nervus vagus.

Het mooie aan dit neuro-endocriene systeem dat onze fysiologische en emotionele behoeften coördineert, is dat onze honger al snel gestild raakt, terwijl onze eetlust onder controle blijft. Op die manier lijkt het onmogelijk dat de honger al snel na een maaltijd terugkeert. En toch is er iets wat de eetlust keer op keer prikkelt.

Hoe werkt het concreet?

’s ochtends voel je aan een knorrende maag dat de maaltijd van de avond tevoren al uren geleden is verteerd. Dat heeft iedereen die ’s avonds al om 6 uur eet. Hier laat de honger zich voelen, maar het is op een andere plek dat de hongerprikkel ons aanzet te eten. Een lage suikerspiegel is het sein voor de maag om de hypothalamus te alarmeren. De nervus vagus leidt de prikkel vanaf de maag in de richting van het hongercentrum in de hersenen, en het moment daarop word je een hongergevoel gewaar. Het is dus het hongercentrum dat ons die stimulans om te ontbijten nu ingeeft: de ene is gewend een schaaltje havermout met fruit te eten, de ander beboterde volkoren boterhammen. Over minder dan een half uur zal er al wat glucose in het bloed verschijnen, en vandaar leidt insuline glucose naar de hersencellen om ze te voeden, en naar de spieren die al even grote energieverslinders als onze hersencellen zijn. Of het havermout is, of volkoren brood, alle twee voorzien ze in vezels die het tegenoverliggende verzadigingscentrum prikkelen. Het verzadigingscentrum is inmiddels evengoed gealarmeerd door leptine, op het moment dat glucose door de dunne darmwand heen in het bloed dringt. Nu stuurt het verzadigingscentrum haar signalen over die van het hongercentrum heen, samen met CCK dat ook bij de verzadiging helpt. Als het verzadigingscentrum die impuls geeft om te stoppen met eten, betekent dit dat er voldoende glucose in het bloed is aangevoerd om de cellen te voeden. Het zijn nog maar de eerste twee boterhammen van de dag, maar ze volstaan om fit gegeten van tafel te gaan, en als het ontbijt volwaardig is, zal dat ook de volgende zes uur zo blijven, zonder nog een hongerprikkel te voelen. Dus daarvoor dient de hypothalamus. Tenslotte is de stofwisseling bedoeld om de energie-opname af te stemmen op het energieverbruik. Zo is het goed, de hypothalamus heeft zich niet vergist, want er is een homeostase in de energiebalans bereikt.

Maar een optimaal werkende stofwisseling is van kritieke succesfactoren afhankelijk. Door ziekte voel je instinctief wat voor voedsel je nodig hebt om op zo’n moment sneller te herstellen. Ook de manier waarop de beet van voedsel (het zogeheten mondgevoel), of de afwezigheid ervan onze voorliefde voor voedsel beïnvloedt, evenals de sensaties die we daarbij voelen bepalen of we verlangen naar voedsel of niet. Van onze keuze hangt af hoe snel we verzadigd zijn.

Een homeostase in de energiebalans ontstaat niet zomaar. Het ligt eraan hoe je de maaltijd samenstelt of die snel verzadigt, of niet.

Hoe kun je een fastfood maaltijd zo helemaal verorberen, ook al is het bord tot de rand toe gevuld met frietjes, pizza of spaghetti?

Hoe groter de portie, des te driester we eten. Je eet altijd maar door. Vreemd om dan pas verzadigd te zijn, nadat de maag overvol zit. Wat heb je eraan je bord leeg te eten, als je geen verzadiging meer voelt? Dat heeft niemand die grote porties verslindt. Dit keer voelt het als een pijnlijke loomheid, van een uitgerokken maag, tot een ongemakkelijke gevoel toe, zodra een hele lading voedingstoffen in het bloed dringt. Wie calorieën telt, weet: dit is een schrikwekkende hoeveelheid voedsel, mét vet, die je hebt opgenomen. Dit is het soort verzadiging die in niets lijkt op die van deze ochtend: loomheid versus fitheid. Hoe kan iemand zich goed voelen na een maaltijd als dit?

Er zijn veel van dat soort calorierijke voedingsmiddelen die de rekken van de supermarkt vullen. Een maaltijd zonder beet of vezels, mét vet en suiker die smelten in de mond, en een lichaam dat eerder loom voelt dan fit. De vraag is of fastfood je overgewicht waard is.

Mate is het geheim van gezond ouder worden.

Een fastfood maaltijd zal je later verzadigen dan wat gebruikelijk is, en een late verzadiging zal de homeostase verpesten. Kauwen daarentegen is een beproefde manier om het verzadigingscentrum te activeren. De kauwprikkels komen in de hypothalamus aan voordat de slokdarm de gekauwde brij in de maag stort, en je voert willoos uit wat het verzadigingscentrum je ingeeft: dat moment stop je met eten. Uiteindelijk kun je elk hongertje met een kleine maaltijd stillen. Dit moet je maar eens op een ongeschilde appel uitproberen; of op een handvol krulpeterselie; of evengoed op een maaltijdsoep met stukken aardappel en heel veel prei.  

Nu ervaar je zelf toch ook dat alleen een maaltijd met vezels en vocht de controle mogelijk maakt op de hoeveelheid voedsel die we verorberen. 

Daarom eet ik net zo lief onbewerkte natuurproducten: groenten, fruit, aromatische kruiden, om het even welke: peulvruchten en rauwkost, stukken aardappelen en groenten. Weet je waarom? Omdat je op vezels kauwt. Ze hebben onderzocht waarom de ene maaltijd, calorie-arm maar vezelrijk, sneller verzadigt dan de andere, die calorierijk en vettig is. Met vezels bestaat er geen kans dat je de hypothalamus op een dwaalspoor brengt. De kauwspieren en de hypothalamus zijn onderling verbonden door middel van de driewortelzenuw (N.V, de vijfde zenuw van de hersenzenuwen) die de boodschappen overbrengt. Ook zijn er de tong- en keelzenuwen (IX, de negende van de hersenzenuwen) die zich naar de speekselklieren vertakken. De kracht van tongbewegingen en kauwen is dat ze niet alleen speeksel doen afscheiden, maar ook electrisch geladen prikkels opwekken die tot in de hypothalamus doordringen. Ook de maag raakt snel gevuld, met vezels en vocht. De maag rekt uit naarmate het volume er toeneemt. Of het zenuwprikkels zijn, of volumereceptoren op de maag die de informatie naar de hypothalamus sturen, meteen stuurt het verzadigingscentrum verzadigingshormonen terug. Nu al, nog voor de voedingstoffen in het bloed zijn doorgedrongen.

Langzaam kauwend geef ik me over aan verzadigende prikkels. Zolang ik elke hap grondig kauw, zullen er nooit hongerprikkels zijn, zo vlak na de maaltijd. Omdat het belangrijk is dat ik op elke hap kauw. Geen overvol gevoel dit keer, maar ik ga fit gegeten van tafel.

Er zijn een heleboel van dat soort signalen die onze honger verzadigen en onze eetlust remmen.

Er zijn buiten het verzadigingscentrum nog neuro-hormonale stoffen die de verzadiging ook een handje helpen. Een ervan is GLP-1, een stof die tot de trope gluco-incretine hormonen behoort. Ze remmen onze honger niet af, onze eetlust mogelijkerwijs wel. Want elke keer als de GLP-1-concentratie in de hersenen stijgt, heeft men duidelijk kunnen vaststellen dat het eetlustopwekkende ghrelinehormoon (door de maag afgescheiden) in het bloed daalt. Er is een hele studie aan gewijd. 

Er zijn drie plekken waar GLP-1 actief is. Al snel na afloop van de maaltijd verschijnt GLP-1 in het ileum, niet zo heel ver van de dikke darm, op een plek waar suikers, vetten en eiwitten langs schuiven. Ook verschijnt GLP-1 in de nabijheid van de pancreas, net daar waar insuline wordt afgescheiden, op het ogenblik dat het met glucose aangevulde bloed erdoor heen stroomt. Als het de bedoeling is dat GLP-1 onze eetlust onder controle houdt, door een glucose-homeostase te bereiken, dan is het niet zo gek dat ook de olfactorische lobben waar de geurprikkels toekomen, alsmede binnen de kern van wat men de nucleus tractus solitarii noemt, die de boodschappen over de spijsvertering ontvangt, sporen vertonen van GLP-1. En hun zenuwuitlopers vertakken zich tot tegen de hypothalamus. Alleen blijft GLP-1 buiten de hypothalamus. En toch vangt de hypothalamus ook die signalen op. Hier in ons brein vervult het GLP-1 de rol van neurotransmitter, want hier draagt GLP-1 de boodschap naar de hypothalamus over. Dat verklaart natuurlijk de uitwisseling van informatie tussen de verschillende hersenkamers onderling: in dit geval de olfactorische lobben, de nucleus tractus solitarrii en de hypothalamus.

Dit is een buitengewoon interessante bevinding. Tijdens de maaltijd krijgt de nucleus tractus solitarii de informatie van GLP-1 vanuit de verteringsorganen, en die moet de hypothalamus informeren om een homeostase te bereiken. Met rauwkost en peulvruchten en onbewerkte granen is het makkelijk: vanuit de dunne darm vertrekt er een boodschap naar de hypothalamus die de precieze hoeveelheid glucose kent in de dunne darm, en in de daaropvolgende boodschap zit de precieze hoeveelheid insuline vervat die de pancreas moet afscheiden, tot in de perfectie gedoseerd, wat flink wat vezels vereist. Het is waar, om de suikertoevloed in het bloed te laten slinken heb je insuline nodig, maar om een constante suikerspiegel te bereiken, zonder dat er hier insuline achterblijft, is de maaltijd met vezels verrijkt. De controle over onze eetlust is dus van vezels afhankelijk, voor GLP-1, waar het een vezelarme maaltijd aan ontbreekt. Het hangt ervan af hoe je eet.

Af en toe bereiken de boodschappen de hypothalamus niet. Als de hypothalamus niet tijdig ingrijpt, is een homeostase onmogelijk te bereiken.

Geraffineerde suikers kun je niet eten, want ze doen de suikerspiegel schommelen.

Geraffineerde suikers jagen de suikerspiegel als een jojo omhoog en omlaag. En zo zijn er nogal wat. Kort na de maaltijd stijgt de glucosespiegel in het bloed nadat enzymen de suikers tot glucose hebben gereduceerd. Op dat moment is de pancreas aan zet. Die scheidt insuline af om ervoor te zorgen dat de glucosespiegel snel opnieuw haar normale peil bereikt. Zonder vezels is de insuline-afscheiding buitensporig. Dit betekent dat de dosis insuline nooit precies overeenkomt met de suikerpiek in het bloed. Hoe hoger de insulinepiek, hoe dieper de glucosespiegel zakt, tot onder haar normale peil. De voorbode van alweer een dipje, de aanleiding voor nog een snack, zo kort na de maaltijd. Het is de eetlust van iemand die aldoor snackt.

Zoals honger louter een fysiologische behoefte is, zo is eetlust als een psychische drang, en de herinnering is haar sterkste stimulus.

De hypothalamus komt in actie om naast de fysiologische prikkels ook de zintuiglijke prikkels op te vangen – van wat we proeven, ruiken en zien. En die prikkelen veeleer onze eetlust dan onze honger. Het is, zeg maar, het verschil tussen honger en eetlust. Het verschil is dat je begint te eten, gulzig van de honger om niet zonder energie te vallen, en eindigt met een dessert omdat je de verleiding van te proeven niet kunt weerstaan. Hoeveel ik ook heb gegeten, altijd is er ruimte voor een gestileerd dessert. Je bent altijd geneigd meer te eten als voedsel de eetlust prikkelt. Eten is een emotionele terugkeer in de tijd, en de smaak van allerlei lekkers staat in mijn geheugen gebrand. Soms lijk je onverzadigbaar, wat af en toe gebeurt als je je eetlust niet onder controle hebt, en soms heb je geen eetlust: de maag té verzadigd van bakgeurlucht, en jij te beroerd om ook maar iets te eten. Eetlust is puur psychologie: soms gulzig etend, soms staat iets je tegen, om het daarna nooit meer te eten.

Niets, zelfs geen hap heb ik genomen, en toch komt er een stroom van sappen op een lege maag op gang en intussen stimuleert de ene ongecontroleerde prikkel na de andere het hongercentrum in mijn brein.

In gedachten stel ik me een favoriet gerecht voor. De vertering lijkt in gang gezet, en ik ben niet eens beginnen eten. Als er dan in de keuken een baklucht hangt! De lucht zwanger van de geurende verbindingen, en het verlangen naar een traktatie brengen alvast hormonen in het bloed: gastrine, ghreline, CCK. Ik wil niets liever dan proeven.

Sensorische prikkels roepen ongewild een verlangen op dat mijn eetlust prikkelt. Dat is niet verwonderlijk, als je weet dat onze hersenen gefocust zijn op geuren en kleuren. Geurstoffen, het meest verleidelijke aan een aroma, die niets anders dan chemische verbindingen zijn, worden opgevangen in de reukzenuw (N.I, de eerste van de 12 hersenzenuwen), gaan vandaar over in de geurkolf, dringen door in de amandelkern (de amygdala), een deel van de hersenen waar emoties aan herinneringen gekoppeld worden, en worden uiteindelijk verder geleid naar de hypothalamus, waar de prikkels worden verwerkt – daar in de hersenen worden de prikkels naar informatie omgezet. En al die verbindingen die vervluchtigen in de lucht zullen in de herinnering nooit vervagen.

In navolging ervan kunnen we de primaire smaken duidelijk herkennen nadat bitter en zoet, zout en zuur, umami met smaakpapillen op de tong versmelten. We geven ze die abstracte namen. Slechts door te proeven komen ze tot leven. In de ene hap proef ik in het appelzuur en het bitter-zoet iets fruitigs door. De andere is sappig en zoet als fructose en polyolen. Ik herken het fruit nu pas, als de geurstoffen en de smaken een geheel vormen: want van jongs af heb ik geleerd om een appel van een peer te onderscheiden. Dat we iedere smaak en elk geurtje nauwkeurig kunnen benoemen is niet gewoon maar het gevolg van een zintuiglijke gewaarwording, maar omdat we in staat zijn de dingen bewust waar te nemen. Cognitieve herinneringen! Van kindsbeen af leren we ze eigen te maken. Het is mogelijk dat we de precieze smaak dertig, veertig jaar later nog altijd kunnen oproepen. Om van te watertanden!
Wie iets van aroma’s kent, die weet dat we door oefening geurstoffen kunnen leren benoemen. Maar onze voorkeur voor zoet of zuur, bitter of zout heeft met de gevoeligheid van de smaakreceptoren te maken, en behalve dat ze in aantal verschillen, is de ene meer of minder electrisch geladen. De gevoeligheid voor smaak is niet iets dat bij iedereen dezelfde is. Iemand ervaart bitter als smaakloos, en ziet zich gedwongen bitter door deductie te benoemen. Een vijftal smaken verleiden een paar duizend smaakknoppen op de tong, het verhemelte, de keelholte en het strottenhoofd, en niet één daarvan die een bittere smaak waarneemt. Er worden namelijk geen trillingen opgewekt in de electrisch-ongeladen smaakcellen. Iemand anders proeft voedsel zoeter en zouter dan ieder ander. Hier heb je een “superproever”. Wie iets van smaak kent heeft geen zin in een zoetigheid of een hartige snack want suiker en zout zijn haar te scherp. Een “niet-proever” houdt wel van zoetigheden bij wie zoet een emotie opwekt, als een beloning die hij van jongs af met melk en honing heeft leren associëren. Hij ervaart zoete smaakjes als bijzonder aangenaam. Een niet-proever zal later pas leren wat een superproever al van jongs af heeft ontdekt: hij strooit kwistig met zout om smaak aan een smakeloos gerecht te geven, zij gebruikt aromatische kruiden met gulle hand, voor een rijke en volle smaak. Zij bijt liever in een zuur-zoete appel, hij in een mierzoet gebakje. Er zijn een heleboel van dat soort hongerstillers; het komt erop aan de juiste keuze te maken.

Het cognitief effect

Het is kersentijd. Net zo makkelijk om de kersen zelf te plukken en ze meteen op te eten: ze zijn zo lekker zoet en sappig dat je altijd maar door eet. Stel nu dat dit je favoriete hapje is, waarom denk je dan dat je er later over fantaseert? Op het moment dat de smaakbeleving nog slechts in de herinnering bestaat. En toch. Het houd je zo bezig dat je er rusteloos van wordt, dat het onmogelijk is er zonder watertanden aan terug te denken. Erover fantaseren maakt een verveelde geest weer springlevend. Als stond je jezelf een gebakje toe, dat even voor afleiding zorgt van altijd maar dezelfde routine. Ook dat bepaalt een eetgedrag. Als je weet dat gedragingen uit herinneringen voortvloeien, als een emotie die een beloning vereist, waartegen je geen nee kunt zeggen, dan besef je het gevaar van gewenning aan voedingsmiddelen. Bij iemand wekt een mierzoet snoepje dit gevoel op; bij iemand anders de umami-smaak van gerijpte kaas. Het is voor iedereen anders. Dit is wat onze eetgewoonten verklaart: het is het cognitief effect op ons eetgedrag, door herinneringen ingegeven. En wat voor een stimulus voor de fantasie, dat ons doet verlangen naar voedsel.

Daarvoor moet iedereen het proeven van jongs af aan leren, om alle smaken en zoveel mogelijk geuren in het geheugen in te prenten. Kinderen leren foute eetgewoonten omdat ze die overnemen van anderen. Door hen te tonen hoe het moet, leren ze echte aroma’s waarderen, en lukt het ze met natuurproducten tot eten te verleiden. Eetgewoonten ontwikkelen als in een aangeleerde reflex, ook dat is ze voorbereiden op het leven.

Hoe mij weerbaar maken tegenover verleidelijk voedsel dat een emotioneel verlangen bevredigt?

Het lijkt wel of stress mijn eetlust prikkelt. Het is adrenaline die dat met mij doet, dat hormoon dat ook bij stress verschijnt, waarop de suikerspiegel daalt. Hoe er dan in slagen om elk dipje weg te werken zonder meteen naar genotsmiddelen te grijpen? Geen koffie met gebak, en geen snoep om mij wakker te houden als ik mijn energie voel wegstromen, of om de tijd door te komen. In plaats van ervan tot rust te komen, brengen die onrust, zoals genotsmiddelen nu eenmaal doen.

Gelukkig dat kalmte de eetlust onderdrukt. Alleen wie rust vindt in zijn hoofd verliest het verlangen om te snacken. Sporten heeft dat effect op de hersenen. Het is aan te raden – als er even niets te doen is – om te wandelen of te fietsen. Net zo belangrijk zijn eiwitrijke natuurproducten, waarvan tryptofaan deel uitmaakt, omdat ook die je geestelijk ontspannen. In de hersenen wordt tryptofaan tot het ontspannende serotonine omgezet. Serotonine is een goed-gevoel-hormoon waarvan wordt gezegd dat het onze eetlust onder controle houdt.

Goed om te weten: tryptofaan zit het meest in peulvruchten zoals in mungo en limabonen, sojabonen en kikkererwten. En in quinoa en granen. Tryptofaan zal je ook in kip en haar eitjes aantreffen, evenals in eendebout. Eet een cassoulet met limabonen, en je blijft urenlang geestelijk ontspannen. Ook melk en kaas onderscheiden zich voor hun hoge dosis tryptofaan. Serotonine zit in ananas en papaja, banaan en avocado, dadels en vijgen, en in tomaten.

Het geheim van een goede maaltijd is haar evenwichtige samenstelling. Eet dus niet eenzijdig, maar gevarieerd. Herinner je hoe vezelrijke voedingsmiddelen je verzadigen, vanwege het GLP-1 hormoon. Combineer ze met eiwitten, zoals ze beide in plantaardige natuurproducten altijd samen voorkomen, en je hebt de perfecte combinatie gevonden. Daar moet ik het mee doen voor fitheid van lichaam en geest.

Altijd al heb ik de controle over mijn eetlust gehad tijdens een maaltijd waarin al de essentiële voedingstoffen voorkomen, met ieder macronutriënt in verhouding tot haar micronutriënten. En wie al verzadigd is, staat niet langer weerloos tegenover genotsmiddelen, met hun verleidelijke geuren die onze eetlust wel prikkelen, maar niet verzadigen.

SCAL